Oproep aan bedrijven die personeel uitlenen en inlenen: bereid je voor op wet Wtta
In de uitleenmarkt komen nog te vaak misstanden voor. Daarom komt er een nieuwe wet: de Wet toelating... lees meer »
In de uitleenmarkt komen nog te vaak misstanden voor. Daarom komt er een nieuwe wet: de Wet toelating... lees meer »
De maximale onbelaste reiskostenvergoeding wordt met terugwerkende kracht voor heel 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25... lees meer »
Pensioenfonds VLEP krijgt een nieuwe pensioenregeling. Deze nieuwe regeling gaat van start op 1 januari 2027.... lees meer »
Want, zo betoogt de Hoge Raad, als dat “niet zou worden aanvaard, zou de werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding mislopen waarop hij bij een algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst op dat moment aanspraak zou hebben”.
Klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad.
Als de in omvang verminderde dienstbetrekking immers op een later tijdstip eindigt, zal de dan te berekenen transitievergoeding een stuk lager uitpakken. Er is volgens de Hoge Raad geen rechtvaardiging om het mislopen van een deel van deze wettelijke vergoeding voor rekening van de werknemer te laten. Volgens de Hoge Raad is sprake van een gedeeltelijke beëindiging, ongeacht of in het gegeven geval de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van (I) een gedeeltelijke beëindiging, (II) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst dan wel (III) aanpassing van de arbeidsovereenkomst.
Mede met het oog op de hanteerbaarheid van de norm wijst de Hoge Raad erop dat van een “substantiële vermindering van de arbeidstijd” kan worden gesproken als sprake is van “een vermindering van de arbeidstijd met ten minste twintig procent” en die “naar redelijke verwachting blijvend zal zijn”.