Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers
Op 7 juli 2026 is het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers (hierna: wetsvoorstel Flex) aangenomen door de Eerste... lees meer »
Op 7 juli 2026 is het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers (hierna: wetsvoorstel Flex) aangenomen door de Eerste... lees meer »
De afgelopen maanden is er hard gewerkt om het MDIEU subsidieproject ‘Fit voor Vlees & Vleeswaren 2024-2025’ af te... lees meer »
De maand juni brengt hoge temperaturen met zich mee. En de zomermaanden moeten nog komen. De Arbocatalogus Vlees en... lees meer »
Op 7 juli 2026 is het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers (hierna: wetsvoorstel Flex) aangenomen door de Eerste Kamer. De wet beoogt werknemers met tijdelijke contracten, oproepcontracten en uitzendcontracten – zogeheten flexwerkers – meer zekerheid te bieden en het concurrentieverschil tussen flexibele arbeid en het vaste contract te verkleinen. De wijzigingen (behoudens gelijkwaardige beloning voor uitzendkrachten) gaan gelden per 1 januari 2028.
Belangrijkste wijzigingen:
Ketenregeling
De huidige tussenpoos uit de ketenregeling van 6 maanden wordt vervangen door een administratieve vervaltermijn van 36 maanden. Daardoor kan pas na een tussenpoos van 36 maanden een nieuwe keten van tijdelijke arbeidsovereenkomsten starten. Scholieren en studenten met een bijbaan worden uitgezonderd. Daarvoor blijft een tussenpoos van zes maanden gelden.
Oproepcontracten
Nulurencontract
De wet schaft het nulurencontract af. De basis wordt een arbeidsovereenkomst met een vast aantal uren. De arbeidsomvang moet na inwerkingtreding van de wet altijd meer zijn dan nul uren. Als er geen arbeidsomvang is overeengekomen, wordt de arbeidsomvang geacht de omvang te hebben van de gemiddelde arbeidsomvang in de drie voorafgaande maanden, waarbij altijd ten minste een arbeidsomvang van drie uur per week geldt.
De arbeidsomvang moet worden overeengekomen over een tijdseenheid van maximaal een jaar. Het gebruik van bijvoorbeeld een jaarurennorm met een vaste arbeidsomvang per jaar en gelijkmatige loonspreiding maar flexibele inzet door het jaar heen, blijft dus mogelijk. Wel dient daarbij straks meer roosterzekerheid en niet-beschikbaarheid per kwartaal te worden overeengekomen.
Bandbreedtecontract
De huidige min-max-overeenkomsten worden beperkt tot bandbreedtecontracten. In een bandbreedtecontract wordt de arbeidsomvang overeengekomen als een minimumaantal uren groter dan nul en een maximumaantal uren van ten hoogste 130% van het minimumaantal uren. De tijdseenheid mag maximaal een kwartaal zijn en er moet sprake zijn van gespreide loonbetaling over een periode van maximaal een maand. Binnen het bandbreedtecontract is een jaarurennorm dus niet mogelijk.
Bij het aangaan van het bandbreedtecontract dienen de beschikbare dagen en uren te worden vastgesteld. De beschikbare dagen en uren zijn maximaal 130% van de minimumuren. Een werknemer kan in beginsel enkel binnen de beschikbare dagen en uren worden opgeroepen en is dan verplicht om te komen werken.
Uitzendkrachten
Verbeteren rechtspositie
De wettelijke duur van fase A wordt verlengd van 26 weken naar 52 weken. Daar staat echter tegenover dat de mogelijkheid om bij cao de termijn te verlengen komt te vervallen. De termijn van fase B wordt verkort van drie naar twee jaar en maximaal zes contracten. Ook daarvan kan na invoering van de wet niet meer bij cao worden afgeweken. Fase A (52 weken) en fase B (104 weken) krijgen daarmee een totale maximale duur van drie jaar. Daarna geldt de uitzendovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
Het uitzendbeding kan niet meer door de werkgever worden ingeroepen bij ziekte van de werknemer.
Gelijk(waardig) loon.
In de wet Flex blijft het uitgangspunt dat uitzendkrachten recht hebben op dezelfde arbeidsvoorwaarden ten aanzien van onder andere loon en overige vergoedingen. Hiervan kan na invoering van het wetsvoorstel nog steeds bij cao worden afgeweken, maar alleen indien dit is opgenomen in de cao van de ter beschikking stellende onderneming én het totaal aan essentiële arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig is. Het totale pakket aan onder andere loon en overige vergoedingen, dient, anders dan op dit moment bij de inlenersbeloning het geval is, dus gelijk(waardig) te worden.
Daarnaast krijgt de uitzendkracht met betrekking tot andere arbeidsvoorwaarden, zogeheten niet-essentiële arbeidsvoorwaarden, recht op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlener.
Zie voor meer informatie: AWVN